Stilleven met schelvis en jachttafereel

Stilleven met schelvis en jachttafereel

Hendrick ten Oever
Zwolle 04/11/1639 – Zwolle 06/15/1716

Olie op doek

72 x 62,5 cm

Hendrick ten Oever stamt uit een oorspronkelijk Amsterdamse familie. Reeds op jonge leeftijd is hij gaan schilderen. Mogelijk is hij een leerling van Eva van Marle. Het meest vroege werk dat bekend is van hem dateert uit 1657.

 

Ten Oever heeft zich verplaats naar Amsterdam waar hij in de leer kwam van Cornelis de Bie. Dit was een zoon van de zus van David ten Oever.

 

In dat atelier was Hendrick’s medeleerling de bekende Duitse vee-schilder Johann Heinrich Roos, wiens schilderijen veel overeenkomst hebben met het vroege werk van de begaafde jonge Zwollenaar. In 1664 sterft Cornelis de Bie en de inventaris van zijn nalatenschap is de eerste bron waarin schilderijen van Ten Oever vermeld worden. Merkwaardig is, dat in die inventaris reeds enkele copieën naar zijn schilderijen worden genoemd. Blijkbaar had hij reeds een groot meesterschap bereikt. Een ander bewijs van de roem van Hendrick ten Oever is het feit, dat hij reeds in 1663 zijn zelfportret tekende in het Album Amicorum van Prof. Jacobus Heyblock, rector van het Gymnasium te Amsterdam. Het portret toont ons een zelfbewuste, opgewekte jongeman.

 

Na de dood van zijn leermeester bleef Hendrick ten Oever niet lang meer in Amsterdam. In het Lidmatenboek van de Grote Kerk te Zwolle wordt hij in December 1665 weer ingeschreven. Hij woonde in het ouderlijk huis in de Sassenstraat, het derde huis vanaf het Wijnhuis, en was dus een overbuur van de Terborch’s.

 

Over zijn dagelijkse leven zijn we helaas slecht ingelicht. Zoals toen gebruikelijk was leverde hij behalve schilderijen ook allerlei schildersbenodigdheden. Zo weten wij bijv. uit een rekening uit 1686 dat de koster van de Broerenkerk bij hem witkwasten en boomolie kocht. Dat hij te Zwolle in aanzien stond, blijkt uit het feit, dat hij lid van de Kerkeraad was en later op aandrang van de Prins van Oranje een benoeming tot schepen moest laten varen omdat hij niet genoeg prinsgezind zou zijn. Dat hij het portret van Barent Hakvoort schilderde, die onorthodoxe theologische meningen verkondigde, zou ook een bewijs van zijn onafhankelijke geest kunnen zijn.

 

De 16de November 1675 huwt Ten Oever het Zwolse meisje Geertruidt van der Horst die hem vier kinderen zou schenken: Hendrina in 1676, Hendrick in 1677, Hieronymus in 1679 en Maria in 1681. Van Hieronymus weten wij, dat hij later zilversmid werd. Mogelijk heeft Hendrina, evenals haar vader, geschilderd.

 

Opvallend is zijn veelzijdigheid. We kennen portretten, stillevens, genrestukken, landschappen, stadsgezichten en mythologische en allegorische voorstellingen. Aanvankelijk schilderde hij vooral portretten en vee-stukken. Het is opmerkelijk, hoe origineel de kunst van Ten Oever in de eerste helft van zijn leven is gebleven. Slechts zelden lijkt zijn werk op dat van andere meesters. Het is zelfs zo, dat de originele opzet van zijn schilderijen deze juist zo buitengewoon aantrekkelijk maakt. Zijn kleuren zijn fris en open, of poëtisch en delicaat. Vóór 1682, het jaar waarin Zwolle zijn Michaelstoren door brand en instorten verloor, schilderde Ten Oever enkele van zijn belangrijkste werken. Allereerst dient te worden genoemd het grote familieportret (1669) uit het Rijksmuseum, met zijn prachtige gesneden Zwolse lijst. Welke voorname familie werd afgebeeld is niet bekend. Uit dezelfde periode moet een alleraardigst tafereel dateren, waarop hij een kindermeisje met drie kinderen afbeeldde bij een geslacht varken. Als achtergrond zien we de Grote Aa bij het tegenwoordige Gasthuisplein. Volgens velen is zijn meesterwerk het grote gezicht op Zwolle. Op de voorgrond baden een man en een vrouw en vier jongens in een water, mogelijk de Vecht. Prachtig gaat de zon onder achter het weidse silhouet van de stad, dat beheerst wordt door de Grote Kerkstoren en de veel lagere “Peperbus”. Van wat vroeger datum (1670) is het knappe en boeiende portret van de boekverkoper en catechiseermeester Barend Hakvoort, die het zijn hele leven lang met de Zwolse kerkeraad en de Synode aan de stok bad. De eigenzinnige, misschien zelfs wat querulante persoonlijkheid is duidelijk in dit “steile” portret te onderkennen.

 

Helaas heeft de algemene achteruitgang van de Nederlandse schilderkunst tegen het einde van de zeventiende eeuw ook Ten Oever in zijn maalstroom meegesleurd. De mode, om elegante portretten en mythologische voorstellingen te eisen, dwong ook hem de algemene kunststroming te volgen. In deze tijd vallen twee belangrijke opdrachten. Allereerst schilderde hij in 1691 de vijf Zwolse predikanten, waaronder de bekende Frederik van Leenhof, met de koster, uit dat jaar. Ten Oever maakte toen deel uit van de kerkeraad, zodat het idee voor dit schilderij heel wel van hemzelf kan zijn uitgegaan. In 1698 krijgt hij zijn, voor zover wij weten, grootste opdracht, namelijk het schilderen van enkele grote doeken voor het kasteel Rechteren te Dalfsen.

 

Hierna schijnt Ten Oever niet veel meer geschilderd te hebben. De laatste datum die in dit opzicht bekend is, kwam voor op een in 1889 geveild portret: 1705. Zijn hoge ouderdom heeft hem mogelijk het schilderen belet. Op 15 Juni 1716 wordt Hendrick ten Oever begraven in de Grote Kerk te Zwolle, “te half drie ter syden ’t Choor.”

 

 

 

 

Bron: J. Verbeek en J.W. Schotman. Hendrick ten Oever, een vergeten Overijssels meester uit de zeventiende eeuw. Zwolle, Tijl, 1957.

 

Objectnummer: 1601